Dimitri Verhulst: “Investeer in cultuur”

Dimitri Verhulst

Dimitri Verhulst is de auteur van Problemski Hotel, de roman die door Manu Riche is verfilmd. Het boek uit 2003, gesitueerd in een asielzoekerscentrum, werd in negen talen vertaald. Interview met de successchrijver.

Dimitri Verhulst is de meest gelezen Vlaamse auteur in Nederland. En wellicht ook in België. Zijn semi-autobiografische roman De helaasheid der dingen (2006), over een jongen die opgroeit in een volkse familie van alcoholisten, werd genomineerd voor de AKO Literatuurprijs en telt inmiddels meer dan zestig drukken. In 2009 werd het boek verfilmd door Felix van Groeningen. Andere veelgeprezen romans zijn, onder meer, Godverdomse dagen op een godverdomse bol (2008), De laatste liefde van mijn moeder (2010) en Kaddisj voor een kut (2014). Verhulst is de auteur van het boekenweekgeschenk uit 2015, de novelle De zomer hou je ook niet tegen.

Ik moet u feliciteren met uw tweede boekverfilming.

“Ik heb daar weinig verdiensten aan…”

Nou ja, zonder boek geen boekverfilming.

“Dat klopt.”

De film is eerder uitgegaan in België. Hoe zijn de reacties?

“Een beetje zoals ik verwacht had, gemengd.”

Waarom had u verwacht dat de reacties gemengd zouden zijn?

“Omdat ik het een nieuw type film vind.”

In de zin van?

“Compositorisch. We zijn ook dit ritme niet meer gewoon in film. Dat ritme zijn we kwijt in cinema. Dit is een film die zich traag laat vertellen. Bij de eerste vertoning was ik meteen mee, ik vond hem fantastisch. Maar ik wist ook wel: dit wordt niet door iedereen gesmuld, niet iedereen is hier klaar voor. Een andere reden is ook dat de laatste jaren er iets is ontstaan als de Belgische film. Denk aan de gebroeders Dardennen in Wallonië en Felix van Groeningen in Vlaanderen. Er bestaat een bijna-prototypsiche Belgische film en dit is helemaal geen Belgische film.”

Wat is dat, de Belgische film?

“Een bepaald soort humor. Een teruggrijpen naar folklore. En er wordt altijd gevist in diezelfde kleine vijver aan acteurs. Dat valt bij Problemski Hotel allemaal weg. En ik denk dat een deel van het publiek daar opnieuw aan moet wennen. Op de film staat de Manu Riche-stempel. Dat staat niet garant voor iets wat makkelijk te kauwen zou moeten zijn.”

Dimitri Verhulst over illegalen (Pauw & Witteman, 15 mei 2013)

“Voor filmmakers geldt hetzelfde als voor schrijvers. Ik heb ook wel eens een boek geschreven waarvan ik dacht: die zal er niet ingaan als zoete koek. Maar je staat wel achter wat je gemaakt hebt en dat moet de kunstenaar vooral blijven doen. Hij moet de dingen maken die hij wil maken.”

De film speelt zich af in een kantoorklolos in Brussel, maar eigenlijk is het een anonieme locatie. De immigranten leven niet buiten de wet, maar zijn ook niet legaal. Ze verblijven in een schemerzone. Dat lijkt me een heel interessant gegeven voor een schrijver.

“Het in transit-zijn. Het zich tussen twee kampen bevinden. Het onderweg zijn. Het nu nog ombestemd zijn. Indie zin is een asielzoeker bijna een metafoor. In die zin kun je het boek lezen of de film zien als iets wat over ons allemaal gaat, zonder dat we asielzoeker zijn.”

Wilde u die zienswijze naar voren brengen toen u het verhaal schreef?

“In de film is het meer naar voren gebracht dan in het boek, dat metaforische. In het boek is de hoofdpersoon, die daar ook Bipul heet, een man zonder duidelijke afkomst. Dat hij geen geheugen heeft, is een toevoeging van de regisseur, die ik zeer geniaal vind, eigenlijk.”

Want dat maakt hem ook onbepaald.

“In het boek heeft hij vooral geen religie. Ook zoiets: maak daar een moslim van en de hele zaal begint hem al in te vullen. Dus allemaal van afblijven.”

Ik heb begrepen dat het boek ooit is begonnen als een reportage voor een literair tijdschrijft, Deus ex Machina.

“Ik weet niet of reportage het juiste woord is. Het was de bedoeling om literatuur te maken. Dat literatuurtijdschrift wilde iets doen over asielzoekers. Dat was\in 2001. Ik wilde dat heel graag doen. Maar ik vond mij onmachtig om het te doen, omdat ik niets van het onderwerp afwist. Dus ik dacht: ik moet zo’n centrum binnen. Ik moet kijken. Ik moet een spons zijn en opzuigen. Daar is het begonnen.”

”Problemski Hotel is het eerste boek waar ik tevreden over was”

“Eigenlijk was de vraag om iets kleins te doen, één paginaatje of zoiets voor een literair tijdschrift. Toen ik daar binnen kwam, ben ik gepletwalst door een hoeveelheid aan verhalen die op mij afkwamen als lawines. Zoveel stof om mee aan de slag te gaan, dat ik dacht: dat is wel meer dan een pagina dat ik hier aan het opzuigen ben.”

Het is in meerdere opzichten een bijzonder boek, want het was ook uw doorbraak, niet alleen in België als ook internationaal.

“Dat was mijn grote voordeel bij het schrijven van Problemski Hotel, ik was volkomen onbekend. Dit was mijn eerste boek dat een vertaling heeft gekend. Ik ben ermee op een lijst van de UNESCO komen te staan. Het is het boek waarmee ik de wereld rondgereisd heb. Op literaire festivals, vertalingen achterna. Niet alleen in die zin is het mij dierbaar. Het was ook het eerste boek waarvan ik zelf vond: ik begin het te kunnen. Het is een goed gemaakt boek. Ik was mijn jeugdige branie eindelijk verloren. Ik hoefde niet per sé te tonen wat ik allemaal kon.”

Dat kwam door het onderwerp wellicht.

[Aarzelt] “Zou dat?”

Het is iets buiten uzelf.

“Ik had daarvoor ook al boeken geschreven die niet over mezelf gingen. Het was een rijpingsproces dat stilaan afgerond raakte. Ik begon het vak te leren. Ik weet nog dat ik dacht toen ik Problemski Hotel klaar had: dit is het eerste boek waar ik tevreden over ben. De ontvangst was trouwens behoorlijk luw. In het buitenland heb ik daar wel dingen over mogen doen. Ik ben bijvoorbeeld in het journaal geweest in Denemarken. Ik ben nooit in Vlaanderen op het journaal geweest om het over Problemski Hotel te hebben.”

De film is dubbelzinnig in de zin dat hij zowel kan worden gezien als een film over asielzoekers en als een kerstsprookje waarin asielzoekers figureren. Speelt het boek zich ook af in de donkere dagen voor kerst?

“Ja, omdat ik in die periode daar was. Het vroor dat het kraakte en de populatie in die dagen was tamelijk zwart, veel Afrikanen, en die zag je klepperen van de kou. In al die misère school ook een stuk poëzie: ze zien voor het eerst sneeuw. Geconfronteerd worden met rijm [rijp: bevroren waterdamp]. Wat is rijm? Allerlei dingen die die mensen niet kennen. In die misère is ook verwondering: ik begin nu te leven waar het rijmt. En uiteraard, de cultuurclash. Want wat is dat eigenlijk, kerstmis? Dat is zo’n oud christelijk ding, een vermenging van heidense feesten en katholieke feesten.”

Dimitri Verhulst over de bijbel (Pauw, 4 november 2015)

“Het is ook de periode van Sinterklaas en Zwarte Piet, dat lag toen nog niet op de discussietafel in 2001. Maar je komt als Afrikaan [moet lachen] in zo’n Vlaams boerengat waar dan een verklede zwarte man rondloopt—dat is december. Lollig. En ook een reden om goed te lachen, vind ik. Er zat oorspronkelijk een Sinterklaas in de film. Die is eruit gehaald omdat … laat de regisseur dat vertellen.”

Het personageTomatski lijkt het rondtrekken van land naar land en van omvang naar opvang – hij is onbepaald, in superpositie zou de kwantumfysicus zeggen – wel lekker te vinden.

“Het wordt een state of being, de vreemdeling zijn, de reizende zijn, de zoekende zijn. Joden praten graag in die termen over zichzelf: de wandelende jood. Het woord jood zou dat ook betekenen: zwerver. Of degene die de rivier oversteekt, aan Jericho. Ze hebben dat, die odysssee altijd maar meedragen. En eigenlijk is er ook een romantisch deel van mij dat daar met jaloezie naar kijkt. Het is een mooi gegeven in het leven, altijd die odyssee ondernemen.”

Altijd in transitie…

“Ik vind het ook wel prettig, het idee dat ik nog niet aangekomen ben.”

Bob Dylan heeft ooit een keer gezongen [in It’s alright ma, I’m only bleeding]: ‘He not busy being born is busy dying’.

“We zijn nog niet zo heel lang sedentair, als je naar de wereldgeschiedenis kijkt. En ik heb het gevoel dat we in een fase gekomen zijn waarbij dat sedentaire ongemakkelijk begint te zitten. Dat we ergens in ons gen nog altijd die odysseeënde mensen zijn. Dat trekken, dat rondgaan, dat zoeken, dat doet zo’n deugd aan onze hersenpan, man. We zijn dat aan het verleren. Wanderlustig, zo wil ik zijn.”

De Belgische film is bezig aan een golf. Na Wallonië is het nu ook in Vlaanderen aan het gisten en schuimen. Is daar een verklaring voor te bedenken?

[Denkt even na] “Ja, ik heb er een aantal. Eentje is natuurlijk het geloof van de fiscus in de Belgische film. Dat is goed om door te geven aan al onze overheden en regeringen: durf maar eens te investeren in cultuur. Dat maakt dat ook veel buitenlandse filmmakers België weten te vinden. Dat draagt zijn vruchten af.”

“Het andere is, denk ik, het volgende. Veel Vlamingen en Walen hebben lang geleden aan een soort minderwaardigheidscomplex. Gestaag zijn wij beter naar de wereld gaan kijken en hebben we gedacht: wat er rondom ons wordt gemaakt is toch niet zoveel beter? Ik herinner me in de muziek dat toen Deus kwam, we voor het eerst durfden te zeggen: wow, we hebben iets gemaakt dat ertoe doet. Wij kunnen namelijk geweldige rockmuziek maken. De film is dan gevolgd en toen kwam ik als schrijver en gebeurde het ook in de literatuur [lacht].”

”Ik ben zelf iemand die enorm heeft geprofiteerd van de solidariteit”

“Maar we staan nu op een kantelmoment. We moeten niet in de val van de zelfgenoegzaamheid trappen. Ik voel aan mijn blaas dat we die kant opgaan, dus we moeten onze zelfkritiek scherp houden. En terug een beetje scherper afstellen. Ik heb het gevoel dat we het tien jaar geleden beter deden dan nu.”

U bent tegen het zogeheten asocialisme. Verklaar.

“Ik ben zeer goed geplaatst om op te komen voor solidariteit, omdat ik zelf iemand ben die enorm heeft geprofiteerd van de solidariteit. Ik heb zonder ouders geleefd, ik heb in een instelling gezeten. Ik ben naar school kunnen gaan omdat de overheid die school voor mij heeft betaald. Ik heb kunnen eten omdat de overheid jarenlang mijn eten heeft betaald. Het is ook goed dat zij dat gedaan heeft, want ze hebben er een volwassen mens die op zijn eigen poten kan staan voor teruggekregen, die nu op zijn beurt bijdraagt aan de staatskas.”

“In India zou ik hier niet zitten. Ik zou hier niet gezeten kunnen hebben. Ik zou omgekomen zijn aan de oever van de Ganges op de leeftijd van twaalf. Ik mag eigenlijk niet ophouden met dat verhaal te vertellen. Omdat het namelijk klopt. Ik bedoel, ik ben er het bewijs van.”

Laatste vraag, wilt u iets kwijt over het volgende boek?

“Dat zal ergens in het najaar uitkomen en ik ga het hebben over… Het wordt een historisch boek over iets wat zich afspeelt onder het communisme.”

Trailer De helaasheid der dingen

Lees ook

 

Als je het hebt over muziek, cultuur en technologie, heb je het over Alfred Bos. Al sinds 1977 publiceert deze kritische copywriting veteraan over deze onderwerpen in bladen en kranten als NRC Handelsblad en Elsevier. Ook bedacht en redigeerde hij in 1995 al het allereerste webzine-met-sound ter wereld. Onlangs schreef hij nog bijdragen voor het toonaangevende Mary Go Wild, over de geschiedenis van de Nederlandse dance.

Geef als eerste reactie