Pasticheur: The Cure op 45 toeren – deel 2

The Cure is de beste singles-band van hun generatie, maar dat is niet het hele verhaal. Robert Smith is ook een begenadigde pasticheur.

The Cure is een kameleon. De groep kleurt naar zijn omgeving, maar blijft zichzelf. Misschien is de octopus een betere metafoor uit het dierenrijk. Dat is een intelligent beest, het kan zijn huidpigment op commando van tint en textuur laten verschieten en weet zich door het kleinste gaatje te wurmen. Inktvissen zijn meesters van vermomming.

De groep heeft dat kunstje toegepast op muziek. Vooral tijdens hun meest succesvolle periode, vanaf midden jaren tachtig tot 1994 (toen Britpop de groep op slag onmodieus maakte), was de muzikale pastiche van andere, ook succesvolle Britse bands een vast onderdeel van het spelletje dat The Cure met de luisteraar en de muziekindustrie speelde.

Robert Smith is een geboren pasticheur en dat kondigde hij – kun je achteraf constateren  – al in 1979 aan met Jumping On Someone Else’s Train, de derde single van de groep. En dan bedoelen we: single in de jaren zestig-betekenis van non-albumtrack. Sleutelregel: “Everybody is jumping on everybody else’s train’.

The Cure – Jumping On Someone Else’s Train (1979)

De eerste jaren van The Cure waren chaotisch. Het was de tijd van new wave en post-punk. Popmuziek werd overnieuw uitgevonden. De maatschappelijke orde veranderde, er ging een neoliberale wind waaien: Margaret Thatcher en Ronald Reagan kwamen aan het bewind. De economie zat in het slop, de toekomst was ongewis. En dat reflecteerde de muziek, doemklanken domineerden.

Identiteit en toekomst van de groep waren ook ongewis. Robert Smith had zijn talent voor afwijkende, maar catchy popliedjes nog niet ontdekt. En hij had een dubbele baan, want naast voorman van zijn eigen band was hij in 1979 en nogmaals in 1982 ook de gitarist van Siouxsie & The Banshees. Dat uitstapje had consequenties voor het geluid van The Cure.

The Cure doet Siouxsie & The Banshees: The Hanging Garden (1982)

De pastiche, het integreren van elementen uit andere muziek in het eigen werk, kwam goed op gang toen The Cure zich rond het midden van de jaren tachtig zich van zwaarmoedige doemband had omgevormd tot leveranciers van afwijkende maar toegankelijke popliedjes. New Order deed in die jaren hetzelfde en op Just Like Heaven (een single van het Kiss, Kiss, Kiss dubbelalbum uit 1987) komt het geluid van beide bands samen.

The Cure doet New Order: Just Like Heaven (1987)

The Cure als new wave dance band? Als blanke, goed gecoiffuurde, strak in het pak gegoten funkateers? Duran Duran was er groot mee geworden en in Amerika zelfs uitgegroeid tot het boegbeeld van ‘the second British invasion’. Aan de vooravond van hun Amerikaanse doorbraak speelt The Cure het spelletje mee. Aan het slot van de clip van Hot Hot Hot!!! (van Tim Pope, die bijna alle clips van The Cure regisseerde) zit een visuele grap verscholen die herhaalt wordt in Snow White and the Huntsman, een film uit 2011.

The Cure doet Duran Duran: Hot Hot Hot!!! (1988)

Simple Minds was de eerste van de Britse new wave bands (en daarmee bedoelen we iets anders dan de New Romantics van Duran Duran en Culture Club) die doorbrak in de Verenigde Staten. Don’t You (Forget About Me) voerde in 1985 de Amerikaanse hitlijsten aan. Het stateside-succes van generatiegenoten Depeche Mode, U2 en The Cure zou enkele jaren later volgen. Het achtste Cure-album Disintegration markeerde hun definitieve doorbraak in Amerika. Daarop staat de Simple Minds-pastiche Fascination Street, alleen in de Verenigde Staten als single uitgebracht en een nummer 1-hit in de kort daarvoor door Billboard geïntroduceerde Modern Rock charts.

The Cure doet Simple Minds: Fascination Street (1989)

Terwijl in Amerika het Britse wave-geluid werd ontdekt door het grote publiek, was in Engeland een nieuwe muzikale revolutie gaande. House en techno floreerden in de clubs en dat nieuwe geluid sijpelde door naar rock. Alternatieve rock was op slag passé toen rockgroepen uit Manchester dance beats door hun muziek gingen mengen. Remixes hoorden bij het nieuwe muzikale vocabulaire en The Cure reageerde zoals de prominente singles-bands van de jaren zestig met nieuwe uitdagingen omgingen: ze haakten in met een eigen variatie. Op het album Mixed Up, met dansmixen van eerder verschenen singles, staat één nieuw nummer. Het kwam ook uit als de nieuwe single.

The Cure doet Happy Mondays: Never Enough (1990)

De Britpop van Suede, Oasis, Pulp en Blur maakte van The Cure op slag een gedateerde wave-band. Hun album Wish uit 1992 betekende hun commerciële piek: drie hits (High, Friday I’m In Love, Letter To Elise) waarvan er twee de bovenste plaats van de Amerikaanse Modern Rock-lijst haalden; Letter To Elise kwam tot nummer 2. Vier jaar later werd het album Wild Mood Swings aanzienlijk killer onthaald, al behoort het tot de crème van hun catalogus. Tweede single Mint Car werd een bescheiden hit. Daarop staan The Smiths model.

The Cure doet The Smiths: Mint Car (1996)

Op 9 januari 1997 vierde David Bowie zijn vijftigste verjaardag met een special concert in de Madison Square Garden in New York. Voor zijn feestje had hij enkele persoonlijke favorieten uitgenodigd als speciale gast, waaronder Robert Smith. Die duetteerde met Bowie op The Last Thing You Should Do en Quicksand. Later dat jaar verscheen Galore, een album dat The Cure-singles uit de periode 1987-1997 verzamelt. Het telt één nieuw nummer, met Bowie-gitarist Reeves Gabrels op gitaar. Wrong Number verscheen ook op single en werd een hit in Amerika. Gabrels is sinds enkele jaren sologitarist van The Cure, hij debuteerde tijdens Pinkpop 2012.

The Cure doet David Bowie: Wrong Number (1997)

Met hun elfde album Bloodflowers had The Cure in 2000 zijn platencontract vervuld. Robert Smith liet weten dat Bloodflowers het slotstuk was van een trilogie (met Pornography uit 1982 en Disintegration uit 1989) en hij de groep wilde ontbinden. Als afscheid verscheen de single Cut Here, een anagram van de groepsnaam.

The Cure doet The Cure: Cut Here (2001)

Het liep echter anders. De groep kreeg een platencontract aangeboden bij een groot Amerikaans label, Geffen (het label dat Nirvana had opgepikt) en vier jaar later lag er een nieuw, titelloos Cure-album in de winkel. In de tussentijd was er in Amerika een nieuwe generatie alternatieve rockbands opgekomen die The Cure als belangrijke inspiratiebron noemden, zoals Interpol en The Strokes. De groep kaatste het compliment terug met een pastiche van de belangrijkste alternatieve rockband uit Amerika, The Pixies.

The Cure doet The Pixies: The End of the World (2004)

In 2008 verscheen het voorlopig laatste Cure-album, 4:13 Dream, van vertrouwde kwaliteit maar grotendeels genegeerd door de media. Maar niet in Spanje, waar de vier singles van het album nummer 1-hits werden (niet helemaal, The Perfect Boy bleef steken op nummer 2). Ook in Zuid-Amerika is The Cure razend populair. In 2013 traden ze daar, voor het eerst in 25 jaar, weer op.

Robert Smith stond model voor de voormalige rockster Cheyenne, gespeeld door Sean Penn, in de eerste Engelstalige film, This Must Be The Place, van de Italiaanse regisseur Paolo Sorrentino. Die besloot Cheyenne op Smith te modelleren nadat hij The Cure in 2008 had zien optreden. Sorrentino was geschokt, “op een goede manier”, om de rocker op leeftijd gekleed te zien zoals hij er als twintiger al bijliep.

De pasticheur is altijd zichzelf gebleven.

The Cure doet Lollapalooza 2013

Als je het hebt over muziek, cultuur en technologie, heb je het over Alfred Bos. Al sinds 1977 publiceert deze kritische copywriting veteraan over deze onderwerpen in bladen en kranten als NRC Handelsblad en Elsevier. Ook bedacht en redigeerde hij in 1995 al het allereerste webzine-met-sound ter wereld. Onlangs schreef hij nog bijdragen voor het toonaangevende Mary Go Wild, over de geschiedenis van de Nederlandse dance.

Geef als eerste reactie