Adrian Borland: outsider

Sommigen worden geboren voor succes, anderen worstelen ermee. Herinneringen aan Adrian Borland (1957-1999), zanger en gitarist van The Sound.

The Sound was een van de opwindendste bands uit de tijd van de new wave, begin jaren tachtig. In die jaren waren ze de gelijke – en in sommige opzichten de meerdere – van Britse groepen die later wereldfaam, of op zijn minst wijdverspreide roem, wisten te vergaren: U2, Echo and the Bunnymen en The Cure.

Het liep echter anders en dat lag niet alleen aan de grilligheid van het publiek. Adrian Borland, de oprichter, zanger, gitarist en songschrijver van de groep uit Londen, leek het lokkende succes doelbewust te torpederen. Toen The Cure en U2 in de tweede helft van de jaren tachtig doorbraken in Amerika, was The Sound een stille dood gestorven.

In de jaren negentig kwam Borlands solocarrière – die zich voor een belangrijk deel in Amsterdam en Haarlem afspeelde – nimmer goed van de grond. In kleine kring werden de man en zijn muziek echter zeer gewaardeerd en dat leek hem aan de gang te houden. Op 26 april 1999 stapte Borland in het metrostation Wimbledon voor de binnenkomende trein.

The Sound is nadien gedelegeerd naar het tweede echelon van de rockcanon, terwijl Joy Division, qua muziek vergelijkbaar en eveneens met een zelfmoord in de gelederen, is uitgegroeid tot een legende. Fans blijven de herinnering aan Adrian Borland en The Sound echter levend houden. Ze zorgden ervoor dat de nagelaten muziek van Borland werd uitgebracht, de platen van The Sound op cd verschenen en onuitgebrachte live-opnames beschikbaar kwamen.

Er is sinds de dood van Borland  verschillende malen sprake geweest van een documentaire over The Sound, maar die is nimmer gemaakt. Daar schijnt nu verandering in te komen. In 2000 brachten Nederlandse bewonderaars Book of (Happy) Memories uit, een bundel met herinneringen aan Borland en The Sound van mensen die hem en zijn groep van nabij hebben meegemaakt. Daarin verscheen onderstaand verhaal, dat ook wordt gepubliceerd in een voorgenomen Italiaanse uitgave over Adrian Borland en The Sound.

The Sound – I Can’t Escape Myself

De eerste ontmoeting met Adrian – en de andere jongens van The Sound – was op vrijdag 6 maart 1981, de dag van hun eerste optreden in Nederland. Hun debuutalbum Jeopardy was zojuist door hun Nederlandse platenmaatschappij in distributie genomen (maanden na de Engelse release) en die had ik als importplaat gloedvol in OOR besproken. En zoals het toen ging moest ik de jongens dan ook maar gaan interviewen.

Het waren grimmige tijden. Met de verkiezing, in november 1980, van Ronald Reagan tot Amerikaans president werden de ergste verwachtingen bewaarheid. In Engeland zat er al een conservatief pur sang op het pluche, Margaret Thatcher, en met een rabiate havik in het Witte Huis was het definitief gedaan met de jaren zeventig en iedere hoop op een andere (en hopelijk betere) wereld.

Er heersten economische neergang en massale werkloosheid, ook onder de hoger opgeleiden, en als de combi Reagan-Thatcher de wereld niet zou verstikken in een deken van radioactieve fall-out, dan zou de beginnende computerrevolutie ieder uitzicht op een fatsoenlijke baan en dito carrière definitief de grond in boren. Je bleek opgeleid voor een wereld die in rap tempo bezig was te verdwijnen.

Het algemene levensgevoel onder jongeren was dat van de afgestudeerde die op zijn feestje te horen krijgt dat de examencommissie zich heeft verteld en hij het, sorry voor het ongemak, nog een jaartje over mag doen. Met andere woorden: we waren bedrogen. Niet alleen het kompas was kapot, ook bleek de kaart nog eens verkeerd uitgevouwen—zoek het maar uit.

The Sound – Heartland (Live Madrid 1984)

De jaren tachtig begonnen onzeker, om niet te zeggen gitzwart, en The Sound had met Jeopardy het perfecte soundtrack-album gemaakt. In de kleedkamer van De Effenaar in Eindhoven zaten vier Engelse knullen die zich in niets onderscheidden van andere Engelse knullen die het Kanaal overstaken om onder de continentals hun anti-Thatcher evangelie te verspreiden.

Adrian, de zanger en de leider, was een beetje bollig type met een open gezicht en een verlegen blik. Een binnenvetter, dat was snel duidelijk, maar ook een scherp observator met een rake tong. Dat zat wel goed met het interview, concludeerde ik snel, en voor we naar de Trafalgar Bar wandelden, even verderop in de straat, voor het officiële interview, sloegen we een balletje pingpong. Hij wilde met alle geweld winnen, ik was sneller.

Adrian was serieuzer dan de meeste van zijn generatiegenoten en dat was toch een donders serieuze generatie, zeker vergeleken met de feestbeesten die de dansclubs van de jaren negentig en later bevolkten. Maar al was hij van nature bescheiden, hij was niet introvert. Hij was niet te beroerd om zijn mond te roeren en zijn stem te verheffen. Iets dreef hem en dat moet het onvermogen zijn geweest om onrecht (vermeend of reëel) te kunnen aanvaarden.

Maar misschien was het door hem verkozen platform, een rockband, niet zijn natuurlijke habitat. Een popster à la David Bowie was hij zeker niet. Hij was helemaal geen ster en wilde dat ook niet zijn. Ik heb hem verlegen zien wegkrimpen onder de adhesiebetuigingen van de wildste en mooiste punkettes die er begin jaren tachtig in Nederland rondliepen. Hij vroeg aandacht, maar als hij het kreeg was het een cadeau dat hem in verlegenheid bracht. Een lastige positie, maar hij had het zelf opgezocht.

The Sound  – Live in Paradiso (8 maart 1981)

Als ik de Adrian Borland uit die jaren weer voor mijn geestesoog haal en hem vergelijk met andere spraakmakende rockmuzikanten van dat moment, dan valt op dat hij nog het minst popster van allemaal was. Nick Cave (The Birthday Party) was een gemankeerde dichter met een heroïneprobleem. Steve Fellows (Comsat Angels) een gevoelige intellectueel met een Hendrix-afwijking. Ian McCulloch (Echo and the Bunnymen) een pientere arbeidersjongen met een ambitie waarin hij de Mont Blanc drie keer kwijt kon. Bono (U2) had ook iets van een dichter, maar dan zonder het heroïneprobleem van Cave. En Jim Kerr (Simple Minds) was een creatief talent uit de achterbuurt van Glasgow en door een blind geloof in schoonheid aan zijn milieu ontsnapt.

Maar Adrian was eerder een welzijnswerker met een gitaar voor zijn buik. En dat bedoel ik niet negatief. Hij was mens en bleef mens, ook op het podium. Dan is de entertainment business op haar hardst. Mensen betalen voor sprookjes, niet voor de waarheid. En The Sound, met Borland voorop, was zo verpletterend eerlijk, zo intens echt.

In de rockindustrie is talent nog het minst belangrijk. Wat wél telt, is hoe je overkomt. Toen al en nu meer dan ooit. Adrian had de pech te hebben gekozen voor een medium, popmuziek, dat op het moment dat Jeopardy verscheen al bezig was het imago steeds meer op de voorgrond te plaatsen. In het jaar dat The Sound vlamde, 1981, begon MTV zijn uitzendingen.

En vergeleken met Duran Duran zag The Sound er niet uit. Adrian zwaaide ook niet schattig met witte vlaggen, of met injectienaalden, en declameerde ook geen Blakeiaanse poëzie over harmonie en buitenzintuigelijke communicatie. Geheel in de geest van punk zocht hij de confrontatie. Niets voor niets had hij zijn eerste groep The Outsiders genoemd.

Maar waar David Bowie als personage achter de microfoon verscheen, daar stapte Adrian Borland het toneel op om het establishment te tackelen met niets meer of minder dan de overtuiging die hij voelde in zijn ziel. Hij had iets van een martelaar en de geschiedenis leert dat het met martelaars doorgaans niet goed afloopt.

Zocht hij het op? Misschien.

The Sound – The Fire (Live Madrid 1984)

Bij Adrian had ik ook altijd het gevoel dat hij nooit gelukkig zou kunnen zijn met succes, massale bijval, gouden platen en ereplekken in de Rock ‘n Roll Hall Of Fame. Hij wilde zijn gelijk halen, dat was pas erkenning. Dan kun je beter managementconsultant of marketeer worden, geen rockzanger. Maar muziek was zijn lust en zijn leven, zoveel was al na dat eerste gesprek – en de pingpongpartij – wel duidelijk.

The Sound en de anti-establishment boodschap van Adrian pasten ook wonderwel bij de tijdgeest van de vroege jaren tachtig. Missiles, het onvolprezen hoogtepunt van Jeopardy, was steevast het nummer dat elke concertzaal plat kreeg en het groeide uit tot het officieuze volkslied van de anti-atoomwapenbeweging van de jaren tachtig.

In 1981 leek The Sound de wind in de zeilen te hebben. In de herfst verscheen hun tweede album en onbetwiste meesterwerk, From The Lions Mouth. En in die bijbelse beeldspraak plus dito hoesontwerp schuilt, denk ik, de kern van Adrian Borland als muzikant.

Hij was inderdaad een martelaar, iemand die zich opofferde voor de goede zaak en zich dankzij zijn morele gelijk onkwetsbaar achtte voor de botte onverschilligheid van de buitenwereld. Op 22 november interviewde ik Adrian voor de tweede en laatste keer voor OOR en bij die gelegenheid schreef hij een persoonlijke opdracht op de hoes van From The Lions Mouth: ‘Bedankt voor je aandacht en steun’. Zijn idee, ik had er niet om gevraagd. Soms trek ik die hoes wel eens uit de kast en denk dan: de wereld van vandaag is te groot voor engagement.

The Sound live @ No Nukes (Irenehal, Utrecht, 9 april 1982)

Na dat tweede interview heb ik Adrian en The Sound nog talloze malen gesproken. Maar ik schreef niet meer over ze. Niet dat de relatie te persoonlijk was geworden – dat heeft me nooit verhinderd om bijvoorbeeld over Simple Minds te blijven berichten – maar ze kleurden naar mijn idee niet meer bij de tijdgeest. In 1981 was The Sound voor heel even dé woordvoerder van een generatie, maar de groep heeft het moment voorbij laten gaan.

Zoals ik al aangaf, Adrian leek gewoonweg niet met succes om te kunnen gaan; hij was er niet voor gemaakt. Zo was het derde album, All Fall Down, een serieuze zeperd en de plaat leek wel met opzet niét aan de verwachtingen van From The Lions Mouth te willen voldoen. Al was dat natuurlijk niet zo.

Ergens hadden ze een afslag gemist en Adrian moet het hebben beseft, want hij begon meer en meer te drinken en ging zich steeds recalcitranter gedragen. Klonk hij met die licht schorre zangstem van hem aanvankelijk als een Engelse tegenhanger van Jim Morrison, vanaf 1982 begon hij op het podium – en soms ook daarbuiten – het zelfdestructieve gedrag van een Iggy Pop te vertonen. Het maakte hem er niet fraaier op. Wel menselijker, maar daar betaalt het publiek dus geen geld voor. Het publiek wil helden, geen twijfelaars met een troebele inborst.

Dat het contact door de jaren heen langzaam minder werd, lag aan mij. Ik vond het eerlijk gezegd een beetje pijnlijk om zo’n groot talent zo te zien worstelen met zichzelf. In 1987 liep ik onverwachts hun kleedkamer in Paradiso binnen (ik had ze zo’n twee jaar niet gesproken) en Adrian reageerde nogal agressief op het overhemd dat ik die dag aan had.

Toen wist ik dat we in twee verschillende werelden leefden. Het ging ook niet echt fantastisch met hem. Nadat hij zich had verontschuldigd voor zijn provocerende gedrag, liet hij me zijn hals zien. Daar was een groot litteken zichtbaar. Hij had iets doms gedaan, zei hij, en had enige tijd in een, laten we zeggen, rusthuis doorgebracht. Ik antwoordde blij te zijn dat hij nog bij ons was.

The Sound – Sense of Purpose

Drie jaar later, in 1990, heb ik Adrian voor het laatst gesproken, eigenlijk bij toeval, in een Amsterdamse bar. Hij bivakkeerde voor enige tijd in Nederland, The Sound was voltooid verleden tijd en wat hij nu deed kon hij me niet uitleggen. Hij vroeg of ik iets voor hem wilde bestellen. Uiteraard, altijd, wat wil je hebben? We proostten op elkaars gezondheid: ik een koffie, hij een dubbele wodka-cola..De wodka was dubbel, niet de cola.

Ik moet bekennen dat zijn zelfmoord niet echt als een verrassing kwam. Natuurlijk, zo’n bericht komt altijd onverwachts en ik had het liever anders gezien, maar er was iets in hem dat niet met geluk – gewoon, oprecht, simpel, eenvoudig, niets-aan-de-hand geluk – kon omgaan.

In zijn ogen was hij geboren als outsider en in zijn ogen is hij wellicht gestorven als martelaar van het leven. Maar nondeju, wat een platen, die Jeopardy en From The Lions Mouth. En Adrian jamt nu met Jim Morrison, Miles Davis, Kurt Cobain, Prince en de rest van de Heaven All Star Band. Die plek komt hem toe.

The Sound – From The Lions Mouth

Als je het hebt over muziek, cultuur en technologie, heb je het over Alfred Bos. Al sinds 1977 publiceert deze kritische copywriting veteraan over deze onderwerpen in bladen en kranten als NRC Handelsblad en Elsevier. Ook bedacht en redigeerde hij in 1995 al het allereerste webzine-met-sound ter wereld. Onlangs schreef hij nog bijdragen voor het toonaangevende Mary Go Wild, over de geschiedenis van de Nederlandse dance.

Geef als eerste reactie