De acid western zoekt het visioen

De acid western is de LSD-variant van het meest Amerikaanse aller filmgenres. In een immorele wereld haakt de antiheld naar verlichting.

De acid western is het product van de Amerikaanse tegencultuur die midden jaren zestig opkwam. Hij breekt met de traditionele waarden van de klassieke western. Dat deed ook de zogenaamde revisionistische western die op hetzelfde moment in zwang kwam. Diens kenmerk: indianen zijn niet automatisch fout, blanken deugen vaak niet.

Maar de acid western is anders. Het subgenre gelooft niet meer in de samenleving als sociale constructie. Die is onbetrouwbaar en corrupt. De personages leven – denkbeeldig en in werkelijkheid – in een emotionele wildernis waarin alles ongewis is. De acid western visualiseert een hallucinant, naar absurdisme hellend wereldbeeld.

De term werd in 1971 gemunt door de Amerikaanse filmcriticus Pauline Kael in een artikel in het tijdschrift The New Yorker over de knotsgekke western El Topo (1970). Ze typeerde de film als ‘een spaghetti western in de stijl van Luis Buñuel’. De illustratie boven deze pagina is een still uit El Topo. Het had een detail van een Dali-schilderij kunnen zijn.

El Topo was de tweede feature film van Alejandro Jodorowsky, die we hieronder nogmaals zullen tegenkomen. Zijn surrealisme gaf de acid western zijn naam en dat surreële aspect wordt vaak opgeroepen door geestverruimende middelen, drugs. De acid western is psychedelisch.

Trailer El Topo (1970)

In westerns wemelt het van outsiders, individuen buiten de orde; zo ook in de acid western. Daarin staat de buitenstaander en diens afstandelijke blik op de maatschappelijke orde centraal. Vaak is de distantie tot de rest van de mensenwereld zo diep dat het leidt tot vervreemding. In zeker opzicht is de (anti)held van de acid western psychotisch. Zo’n psychose kun je ook oproepen, of bevestigen, met drugs.

The Shooting

Drugs komen er nog niet aan te pas in wat met de blik achteraf als de eerste acid western kan worden aangemerkt, The Shooting (1966) van Monte Hellman, een regisseur uit de school van B-film kampioen Roger Corman. Die hoeste de 75.000 dollar op die de film heeft gekost.

De vervreemding is in The Shooting eerder psychologisch dan psychedelisch. Door een dor woestijnlandschap trekt een vreemd trio. Een voormalige premiejager (Warren Oates) en diens zwakbegaafde sidekick (Will Hutchins) helpen een mysterieuze vrouw (Millie Perkins). Wat de anonieme vrouw (ze blijft in de film naamloos) drijft en waarom het ongemakkelijke gezelschap door die godverlaten woestijn trekt, blijft lange tijd onzeker.

De premiejager begint iets te dagen wanneer zich een trekkerheld, Billy Spear (Jack Nicholson), bij het drietal voegt. Spear is onberekenbaar, een psychopaat. Hij zou het personage na zijn doorbraak met Easy Rider vaker spelen, onder meer in Kubricks The Shining. De vrouw blijft een raadsel, tegen haar helpers verandert ze voortdurend haar verhaal.

Trailer The Shooting (1966)

De vrouw en Spear spelen onder een hoedje, ze jagen op een eenzame ruiter die het kwartet in de woestijn vooruit is. Wat maakt The Shooting tot een acid western? Dat is de existentiële leegte, van de woestijn en van de personages. Spear en de vrouw zijn vraagtekens, personages zonder achtergrond of context, monomaan en manipulatief van aard.

The Shooting was in 1966 – toen het subgenre van de acid western nog niet bestond – allesbehalve een doorsnee-western. De film is doortrokken van vervreemding en bijna anti-Hollywood qua stijl. In het commentaar bij de dvd-release van 2014 wordt verwezen naar het toneelstuk Wachten op Godot van Samuel Beckett. Dat heeft als thema de zinloosheid van het bestaan.

Bij verschijning  in het najaar van 1966 werd de film in Amerika nauwelijks opgemerkt, maar de Franse critici van Cahiers du cinema waren verrukt. Nadat Jack Nicholson dankzij Easy Rider (1969) was uitgegroeid tot een internationale ster ging The Shooting in 1971 in Amerika opnieuw in roulatie en is sindsdien uitgegroeid tot cult-klassieker. De dvd-uitgave getuigt daarvan.

Dead Man

Easy Rider is de brug tussen The Shooting en een krankzinnige, eigenlijk totaal mislukte maar niettemin fascinerende film uit 1971. The Last Movie is de tweede speelfilm van Dennis Hopper, gemaakt op de vleugels van zijn baanbrekende regiedebuut Easy Rider, dat in Hollywood een nieuw tijdperk inluidde. The Last Movie flopte jammerlijk – Hopper maakte negen jaar lang geen films meer – maar het is een intrigerend tijdsdocument, vaak omschreven als een acid western.

Of het een western is, is de vraag (de handeling speelt op het platteland van Peru, waar een Amerikaanse crew een speelfilm draait), maar acid is de film zeker. Fantasie en werkelijkheid lopen door elkaar, de mens toont zijn geweldadige natuur, gekte en vervreemding zetten de toon. The Last Movie is ook een film over film, en wel een van de vreemdste. Hoppers tegenspeler in Easy Rider, Peter Fonda, maakte datzelfde jaar de acid western The Hired Hand.

Honderd procent acid western is Jim Jarmusch’s Dead Man, met Johnny Depp in de hoofdrol. In 1995, toen Dead Man verscheen, was de western als bioscoopgenre op sterven na dood en alles aan deze film is subversief. Het is een in zwart-wit gedraaide vertelling over een man die rondloopt met een kogel naast zijn hart en in feite al dood is, gespeeld door een Hollywood-ster, in een genre dat op dat moment al jaren passé is. Veel meer afstand van de Hollywood-orde kun je als onafhankelijke Amerikaanse filmmaker niet nemen.

Trailer Dead Man (1985)

Dead Man is (als we willen goochelen met filmgenres) een postmoderne neo-revisionistische western van de acid soort. De maatschappelijke orde van de blanken, voor zover die bestaat, wordt à la El Topo neergezet als een immorele burleske grol en de (anti)held – William Blake genaamd en de referentie aan de Engelse graficus-dichter-ziener van die naam blijkt geen toeval – is een buitenstaander, die dwaalt door de schemerwereld tussen leven en dood.

Zijn gids in het vagevuur is een indiaan (Gary Farmer) die zich Nobody noemt. Wanneer Nobody hem verlaat trekt Blake zonder idee of plan door de existentiële wildernis en raakt meer en meer vervreemd van zijn vorige bestaan. Het zijn de blanken die zich als beesten gedragen – in één geval letterlijk – terwijl de indianen een toonbeeld van respect zijn en hem begeleiden op zijn reis naar de wereld van de geesten.

Dead Man toont de barbaarsheid van een ontzielde wereld, niet als aanklacht, ook niet als satire, maar als een absurdistische klucht. Ook zonder slapstick zit er een vleugje Buster Keaton en Charlie Chaplin in de film en niet omdat Jarmusch terugvalt op het sjabloon van zijn tweede speelfilm Stranger Than Paradise: korte scènes gedraaid in zwart-wit, onderbroken door zwarte schermen. De wereld van Dead Man is inderdaad geen paradijs, hij is veel vreemder. De film is existentieel én psychedelisch.

Blueberry

Europese westerns zijn in de jaren zestig uitgegroeid tot een belangrijk subgenre, bekend geworden als de spaghetti western, en er is ook een Europese acid western gemaakt. Blueberry (2004) van regisseur Jan Kounen, in 1964 in Utrecht geboren als Jan Coenen, is een Franse productie en ontleent de naam van de titelpersonage aan de reeks in het Amerikaanse westen gesitueerde stripverhalen van de Franse illustrator Jean Giraud, ook bekend als Moebius.

En daar duikt Jodorowsky weer op. De Chileense filmmaker wordt gezien als belangrijke inspirator van Dennis Hopper, David Lynch en Nicolas Winding Refn, en leverde in de jaren tachtig het scenario voor de fameuze Incal-strip van Moebius/Jean Giraud. In dat sciencefictionverhaal staat een spirituele queeste centraal en de surrealistische geest van Jodorowsky waait ongehinderd door Kounens filmadaptie van Blueberry.

Trailer Blueberry (2004)

Net als Dead Man handelt Blueberry (vertolkt door Vincent Cassel) over een buitenstaander, een paria eigenlijk, die onder de hoede komt van een indiaan, de Apachi Runi (de Nieuw-Zeelandse acteur Temuera Morrison). De wereld van Blueberry is, net als die van Dead Man en El Topo, chaotisch, willekeurig en gewelddadig.

Het onmiskenbare acid-element is de ayahuasca-trip die Blueberry onder begeleiding van medicijnman Runi doorleeft. Het is de visuele climax van de film en volgens ayahuasca-priesters uit het Amazone-oerwoud verbeeldt de dertien minuten durende beeld-trip nauwkeurig wat de gebruiker van het sacrament in zijn roes ziet. De scène is vergeleken met de sterrenpoort-sequentie uit 2001: A Space Odyssey en heeft nachtmerrie-achtige trekjes. Blueberry wordt geconfronteerd met zijn onderbewustzijn en daar is het geen feest.

Ayahuasca visioenen

In Ron Howards The Missing (2003) speelt een blanke vrouw de rol van sjamaan; er zijn enkele scènes rond psychedelische kruiden en zinsbegoocheling. Maar de enige andere film die naast Blueberry een ayahuasca-trip realistisch verbeeldt is El abrazo de la serpiente (Omhelzing van de slang), eerder dit jaar in de Nederlandse bioscoop te zien geweest.

Met zijn chemisch geïnduceerde bron van kennis raakt de enige Europese acid western uit de cinemageschiedenis aan de film die het subgenre zijn naam gaf, Jodorowsky’s El Topo. Want in de acid western draait het om verlichting en verlossing.

Het altijd obscuur gebleven genre is inmiddels doorgedrongen tot het tv-scherm. De serie Preacher, gebaseerd op de gelijknamige strip van Garth Ennis en Steve Dillon, speelt in West-Texas, zit vol hoeden en guns, is zeer gewelddadig en ronduit surrealistisch. De plot draait rond goede en kwade geesten. De serie wordt verkocht als horror, maar heeft veel weg van een acid western.

Als je het hebt over muziek, cultuur en technologie, heb je het over Alfred Bos. Al sinds 1977 publiceert deze kritische copywriting veteraan over deze onderwerpen in bladen en kranten als NRC Handelsblad en Elsevier. Ook bedacht en redigeerde hij in 1995 al het allereerste webzine-met-sound ter wereld. Onlangs schreef hij nog bijdragen voor het toonaangevende Mary Go Wild, over de geschiedenis van de Nederlandse dance.

Geef als eerste reactie