Scott Walker: “Ik ben wat ik niet weet”

Scott Walker zocht het vreemdste carrièrepad dat er in de populaire muziek is te vinden. “Ik was de stereotype zanger en ik stelde steeds teleur.”

Scott Walker is een introvert mens. Op het afgesproken uur is de hotelbar leeg. Op de herhaalde oproep van de receptioniste wordt niet gereageerd. Ik wacht een paar minuten en loop de bar weer binnen. Daar zit, als een geest die uit het niets is gematerialiseerd, een slungelige jongeman van veertig—Scott Walker.

Hij oogt zeker tien jaar jonger, wat ons bijna voormalige klasgenoten zou maken. Hij kijkt me onderzoekend en gereserveerd aan. In zijn spijkerbroek en pullover lijkt hij een tennisster op vakantie. “Ik negeer dat soort oproepen consequent,” zegt Walker. Ik ga zitten.

Het is de eerste week van maart 1984 en Scott Walker is zes lange jaren onzichtbaar geweest, een schim uit een vervlogen tijdperk. Een voormalig tieneridool met een voorkeur voor Europese kunstfilms en existentialistische auteurs. Tijdens zijn afwezigheid groeide hij uit tot cultheld van een jongere generatie, de punk en new wave-muzikanten die midden jaren zeventig de popmuziek opnieuw uitvonden.

Het verhaal van Scott Walker valt buiten de gangbare orde. Amerikaan met Europese sensibiliteit. Popster die abstracte teksten zingt op vormloze, atmosferische muziek. Mooie jongen met een donkere verbeelding. Existentiële zoeker die opereert in een industrie waar glamour de toon zet. Die de leegte verkiest boven fame and fortune. Het is in 1984 al een excentriek verhaal en het zou nog veel gekker worden, maar dat wisten we toen nog niet.

Ik prijs me gelukkig dat ik Scott Walker überhaupt te spreken krijg. Hij is notoir mediaschuw. Welgeteld vier interviews geeft hij om zijn nieuwe plaat onder de aandacht te brengen. Het is zijn eerste levensteken in zes en eerste soloalbum in dik tien jaar.

 

Walker Brothers – The Sun Ain’t Gonna Shine Anymore

 

Onsterfelijk is The Sun Ain’t Gonna Shine Anymore waarmee The Walker Brothers in het vroege voorjaar van 1966 ook in Nederland een grote hit scoren. John Maus, Scott Engel en Gary Leeds zijn geen broers en heten van achteren geen Walker. De drie zijn het jaar daarvoor van Los Angeles naar Londen verkast en hebben in Engeland instant succes. Ze steken The Beatles naar de kroon.

Scott Walker is op 9 januari 1932 in Hamilton, in de Amerikaanse staat Ohio, geboren als Noel Scott Engel. “Eén van de redenen om naar Engeland te vertrekken,” vertelt hij, “was het leger. Ik had geen echte reden om uit Californië weg te gaan, toen Gary het me vroeg. Ik verdiende goed geld als bassist in verschillende nachtclubs. We hadden net een platencontract en stonden toch al op het put van doorbreken. Dat hele gedoe rond Johnson [en de oorlog in Vietnam] stond me niet aan. Ik werd er letterlijk ziek van, dus ik besloot: ik ga naar Engeland zo lang het kan.”

The Walker Brothers werken met producer John Franz en het orkest van Ivor Raymonde, het team achter de georchestreerde pop van Dusty Springfield. In The Sun Ain’t Gonna Shine Anymore zit de kiem van de Scott Walker die later zou uitgroeien tot cultheld. De bariton, natuurlijk. De sombere boodschap, alle hoop vervlogen. En het temperament, de hang naar isolement. Tijdens de opnamen van wat de grootste hit van The Walker Brothers zou blijken, vertrok Scott Walker kwaad uit de studio en verdween voor een paar dagen.

“Dat nummer was een gevecht. Ik had het geschreven en zei tegen de platenmaatschappij: dit is een gegarandeerde nummer 1-hit, laten we het opnemen.” Hier moeten we hem even onderbreken, want hij vergist zich. The Sun Ain’t Gonna Shine Anymore werd geschreven door Bob Crewe en Bob Gaudio, het tweetal achter een reeks hits van The Four Seasons. Walker ging componeren om de B-kanten van de Walker Brothers-singles te vullen.

Hij gaat verder: “Het ongeluk wilde dat John en Gary net de stad uit waren en men had enkele nogal middelmatige studiomuzikanten geboekt. Ik werd daar gek van en liep kwaad weg. Toen ik weer opdook, heb ik bij de platenmaatschappij bedongen dat we de complete sessie van drie uur – normaal goed voor vier nummers – aan dit ene nummer zouden besteden. Dat was voor die tijd buitensporig, maar het lukte en het was een prachtige plaat.”

 

Scott Walker – Jackie

 

Door het success van The Walker Brothers leert Scott Walker iets over zichzelf: hij is geen geboren popster. “Dat was deel van het probleem.” Zijn ‘broers’ ambiëren geld en roem, hij maalt daar niet om. In 1967 begint hij een solocarrière, die tot 1969 voorspoedig verloopt. Zijn eerste drie soloalbums, Scott (1967), Scott 2 (1968) en Scott 3 (1969), halen in Engeland de Top 3 van de albumlijst. In 1969 vraagt de BBC hem een eigen tv-show te verzorgen.

Brel als anker

Walker valt op als de eerste Engelstalige vertolker van de Belgische chansonnier Jacques Brel. Het is atypisch, een Amerikaanse crooner die met veel vuur chansons van het Europese continent introduceert bij het Engelse publiek. (David Bowie luistert met veel belangstelling toe.) Zijn eerste albums tellen meerdere Brel-vertolkingen, in vertaling van Mort Shuman.

Hij hoort Jacques Brel via een Duitse Playboy-bunny, het maakt de existentialist in hem wakker. “Ze draaide zijn platen en ik raakte erdoor geobsedeerd. Ik moest en zou een manier vinden om dat eigentijdse gevoel te vertalen naar eigentijdse muziek. Via Andrew Loog Oldham [de eerste manager van de Rolling Stones] vernam ik dat Mort Shuman een aantal nummers van Jacques Brel had vertaald en aan niemand kwijt kon. Toen had ik mijn anker. Het kon me niet schelen of het verkocht of niet. Ik maakte die platen voor mezelf, totaal.”

 

Scott Walker – Boy Child

 

In 1969 maakt Scott Walker zijn meesterwerk, Scott 4. Het is de eerste plaat die louter eigen composities bevat. Daartussen songs over The Seventh Seal, de film van Ingmar Bergman, en de Russische inval in Praag van augustus 1968, The Old Man’s Back Again (Dedicated to the Neo-Stalinist Regime). Geen Brel, geen conventioneel easy listening repertoire, minder prominente orchestraties. Het geluid is persoonlijker, abstracter ook.

 

Scott Walker in de jaren 60

 

Scott 4 flopt om onduidelijke redenen. Walker zelf meent dat zijn voorgaande plaat, Scott 3, teveel nummers in driekwartsmaat telde, daar kun je niet op dansen. Maar wellicht is hij ingehaald door de tijdgeest, na het Woodstock festival is orchestrale pop bepaald passé. (Dusty Springfield had hetzelfde probleem, al kon ze dat met het soulalbum Dusty In Memphis voor korte tijd omzeilen.) Scott 4 moet in de platenwinkel concurreren met het debuut van Santana, Hot Rats van Frank Zappa, Then Play On (met Oh Well) van Fleedwood Mac en het tweede album van Led Zeppelin.

De wildernisjaren

Het repertoire van Scott 4 is in Amsterdam geschreven, vertelt hij in 1984. Dat kan niet kloppen, want Walker woonde – volgens de overlevering – in 1972 in de Nederlandse hoofdstad, niet in 1969. “Amsterdam was een prima plek om onder te duiken,” zegt hij. “Niemand kende me, ik kon ongestoord rondlopen.” Dusty Springfield zou eind jaren tachtig, eveneens in een creatief stille periode, ook voor enige tijd in Amsterdam ‘onderduiken’. “Scott 4 was mijn beste plaat, maar de platenmaatschappij wilde dat ik ophield met die ‘esoterische’ muziek. Ze konden het woord niet eens goed uitspreken.”

 

Scott Walker – The Ballad of Sacco and Vanzetti

 

Wat volgt zijn ‘de wildernisjaren’, in zijn woorden. Hij is uit de gratie, van het publiek en van de muziekindustrie. Zijn albums voor Philips, het label dat in de jaren zestig successen scoorde met de georchestreerde pop van Dusty Springfield, The Walker Brothers en de solo-artiest Scott Walker, verschijnen en verdwijnen geruisloos, al zijn er pareltjes – zoals The Ballad of Sacco and Vanzetti, van The Moviegoer uit 1972 – op verstopt. Eigen composities staan er niet op.

In 1973 tekent hij bij een groot Amerikaans label en brengt twee platen uit met gemakkelijk in het gehoor liggend countrymateriaal van songschrijvers als Mickey Newbury, Tom T. Hall, Jimmy Webb, Randy Newman, Billy Joe Shaver en Gordon Lightfoot. Walker heeft heruitgave, ook op cd, van de langspelers Stretch (1973) en We Had It All (1974) tot aan zijn dood tegengehouden. Hij negeert hun bestaan.

In 1984 praat hij er zonder gêne over. “Ik was de stereotype zanger, dat hoopte men althans. Maar daar heb ik niet aan kunnen voldoen. Ik was wat ik altijd een let me into tour livingroom, folks zanger noemde. Men wilde mij iemand als Jack Jones laten zijn en ik stelde hen steeds teleur.”

 

Walker Brothers – No Regrets

 

Belangstelling van Eno

Er staan ook geen composities van Scott Walker op de albums die hij in de jaren zeventig maakt met de herenigde Walker Brothers. De reunie lijkt aanvankelijk een succes; het titelnummer van hun eerste album in acht jaar, No Regrets, wordt een internationale hit. Folkzanger Tom Rush had zijn compositie uit 1968 in 1974 nogmaals opgenomen, ditmaal in een georchestreerde versie. Die staat model voor hun cover.

No Regrets naait het geluid van The Walker Brothers in een jas van countrypop, de stijl van Scott Walkers – door hem zelf verfoeide – soloplaten. Walker over de reunie: “John belde om te vragen hoe het ging. Ik antwoordde: zo zo. ‘Waarom maken we geen plaat’, stelde hij voor. Ik dacht dat die reunie een feest zou zijn. Maar al bij de eerste de beste sessie laaide de oude onenigheid op.”

Het succes van No Regrets krijgt geen vervolg en in 1978 nemen The Walker Brothers hun laatste album op. Nite Flights is een bizarre plaat, ditmaal gevuld met eigen materiaal. De vier nummers van Scott Walker waarmee het album opent, breken met de conventies van de popsong. De teksten zijn duister, de muziek is verwant aan de abstracte soundscapes van David Bowie’s Berlijnse album Low.

“We wisten dat Nite Flights onze laatste plaat zou worden,” zegt Walker. “Onze platenmaatschappij ging failliet en we besloten om alles uit de kast te halen. Ieder van ons kreeg de kans om vier nummers geheel naar eigen inzicht in te vullen.”

 

Walker Brothers – The Electrician

 

Nite Flights verdwijnt geruisloos, net als Scott Walker. Jarenlang is hij een geest uit het verleden. Er is sprake van een album met Brian Eno, de co-producer van Low, maar dat wordt nooit gerealiseerd. Walker: “Eno toonde belangstelling, maar uiteindelijk besloot ik om het niet te doen. Of zijn carriére zou zijn vernield of de mijne.” Tien jaar later zou een voorgenomen samenwerking met David Sylvian eveneens niet van de grond komen. Walker treuzelde eindeloos.

Mysterie

Zes jaar na Nite Flights zit ik tegenover Scott Walker in de lege bar van een hotel aan de rand van Londens Hyde Park. Climate of Hunter, zijn eerste soloplaat in tien jaar, bouwt voort op Walkers bijdragen aan Nite Flights: atmosferisch, schimmig, donker. De plaat is geproduceerd door Pete Walsh, de man die Simple Minds aan het sprankelende geluid van New Gold Dream hielp. Walsh zal tot Walkers dood zijn vaste producer blijven.

 

Scott Walker in 1984 (foto: Lex van Rossen)

 

Wat heeft hij die zes jaar gedaan? “Nadenken over wat ik zou gaan doen,” zegt hij lachend. “Ik ben er een kei in om dingen uit te stellen tot morgen.” Hij zucht. Zijn nieuwe platenmaatschappij verwachtte snel een plaat. “Ik begon erover te denken toen The Walker Brothers uit elkaar gingen en gaandeweg keurde ik steeds meer ideeën af. Op een gegeven moment ben ik helemaal gestopt, dat duurde ongeveer anderhalf jaar.”

Hij werd kwaad toen de platenmaatschappij druk begon uit te oefenen. “Iedere artiest is anders, ik ben niet zoals Simple Minds. Als iets me kwaad maakt of me verveelt, stap ik op. Vijf keer heb ik bijna opgegeven. Het kostte me veel moeite om mezelf te motiveren en toen ik mezelf had opgeladen, was ik tot twee keer toe gedwongen om te verhuizen. Ik werd wanhopig. Het geld raakte op en er was nog steeds niets uit mijn handen gekomen.”

Een check van een muziekuitgeverij biedt uitkomst. Walker sluit zich twee maanden op in een huisje op het platteland en schrijft het materiaal voor Climate of Hunter. “Het schrijven gaat snel. De meeste tijd zit in het denken dat daaraan vooraf gaat.”

 

Scott Walker –  Dealer

 

Climate of Hunter is een persoonlijke ervaring, stelt Walker. “Het is alsof je tegen jezelf praat als in een droom of een trance. Het moest zo compleet mogelijk worden. Compleet is een belangrijk woord voor mij. Het mocht niet fragmentarisch worden. Ik praat niet graag over de nummers, daarmee haal je ze uit elkaar. Je fragmenteert ze. Zo verdwijnt het mysterie.”

Walker trommelt met zijn vingers op de tafel tussen ons. “Hier in Londen kan ik niet voluit zingen, dan gaan de buren opspelen. Ik kon me ook geen duurder appartement veroorloven, dus ik moest gewoon geduld hebben. Ik had alles in mijn hoofd en moest wachten op de gelegenheid om de muziek te kunnen realiseren.” De volgende dag gaat hij een clip opnemen, zijn eerste. Het zal geen verschil maken, single en album floppen.

Nachtmerrie in geluid

Na Climate of Hunter verdwijnt Scott Walker opnieuw uit het publieke leven. Tijdens zijn afwezigheid is er een herwaardering voor de orchestrale pop van de sixties. The Smiths werken met Sandie Shaw; The Pet Shop Boys geven de verslonste carrière van Dusty Springfield een injectie. De Britpop-generatie van de jaren negentig zet die belangstelling voort: Jarvis Cocker, zanger van Pulp, is een verklaard fan. Hij overhandigt Walker de Icon Award 2006 van het Engelse muziektijdschrift MOJO.

Climate of Hunter is de brug naar het latere, avant-gardistische werk van Scott Walker. Niemand, ook niet de fans onder muzikanten, zagen de donderslag aankomen die Tilt, Walkers eerste levensteken in ruim tien jaar, in 1995 veroorzaakt. Fans van zijn jaren zestig soloplaten zijn geschokt, de liefhebbers van Climate of Hunter verbaasd. Het is een gitzwarte plaat, hard van contrast tussen de industriële geluiden en de etherische orchestraties. Daartussen klinkt eenzaam Walkers geplaagde bariton. Hij is de man die in een inmense leegte op Godot wacht.

 

Scott Walker – Farmer in the City

 

Tilt is het eerste van een drieluik, laat Walker weten. Het kan nog donkerder, nog dieper in de nachtmerrie, blijkt als weer tien jaar later de opvolger verschijnt. The Drift heeft de suggestie van songs opgegeven, de plaat is gevuld met scherven van geluid: textuur die vaker niet dan wel herinnert aan muziek. Daar doorheen dwaalt een stem die existentiële twijfel verwoordt. In Jesse spreekt hij de doodgeboren tweelingbroer van Elvis Presley aan. Wat The Drift te bieden moge hebben, Scott Walker is geen pleaser. Hij serveert geen easy listening, eerder het modernisme van T. S. Eliot (teksten), Xenakis en Gorecki (muziek). Melodie en harmonie lossen op in dissonanten.

“Ik heb een nachtmerrie-achtige verbeelding. Ik heb mijn leven lang al nare dromen,” zegt Walker in de documentaire over zijn loopbaan, 30th Century Man, in 2006 gemaakt door regisseur Stephen Kijak en betaald door David Bowie. Die donkere verbeelding gaat terug op een jeugdherinnering. Als zesjarige ziet Walker in de bioscoop journaalbeelden van de executie van de Italiaanse dictator Mussolini en diens jeugdige maîtresse Claretta Petacci. De lijken werden op 27 april 1945 op een plein in Milaan opgehangen aan de voeten en door de menigte gemolesteerd. Het is het onderwerp van Clara, een nachtmerrie in geluid.

 

Scott Walker in 2012

 

In zijn late jaren is Scott Walker productiever dan ooit. Hij heeft een nieuw thuis gevonden, het 4AD-label van Simon Raymonde (zoon van Ivor Raymonde, de orkestleider met wie hij in de jaren zestig heeft gewerkt). Hij voelt zich kennelijk bevrijd, de schuwheid is grotendeels verdwenen. Om The Drift te promoten geeft hij een aantal interviews in Parijs. Een jaar later – een oogwenk in Walker-tijd – verschijnt And Who Shall Go to the Ball? And What Shall Go to the Ball. Het is balletmuziek voor CandoCo, een dansgezelschap van valide en invalide dansers.

 

Scott Walker – Epizootics!

 

Verspilde tijd

De loopbaan van Scott Walker kende lange periodes van afwezigheid. Voelt hij zich bezwaard over de jaren die hij heeft weggegooid? “Nee, omdat … Natuurlijk voel je je … Als je je tijd niet verprutst hebt, voel je je er ook niet slecht over. Mijn probleem was dat ik platen heb gemaakt die ik helemaal niet wilde maken. Dat was een verspilling van tijd.”

Het album Bish Bosch voltooit in 2012 de trilogie die hij in 1995 met Tilt was gestart. Walker is op dat moment 67 jaar; ouder wellicht, maar nauwelijks milder. Bish Bosch is wellicht de meest veeleisende ervaring die luisteraar zichzelf kan opleggen. De track SDSS1416+13B (Zercon, A Flagpole Sitter) duurt ruim twintig minuten en handelt, onder meer, over quantum mechanica, Attila de Hun en de film Simón del desierto van Luis Buñuel. The Day The ‘Conducator’ Died (An Xmas Song) heeft de Roemeense dictator Ceausescu tot onderwerp; hij stierf op eerste Kerstdag 1989 voor een geïmproviseerd vuurpeleton.

Wie daar niet voor wegschrikt heeft een makkie aan Darkness, Walkers bijdrage aan het album Plague Songs (2006), waarop de tien Bijbelse plagen worden bezongen. Hemelse klanken zijn er te horen in Light, de filmmuziek die Walker schreef voor de film Palo X (Leos Carax, 1999). Er volgen meer orchestrale filmscores: The Childhood of a Leader (2015, over een dictator) en Vox Lux (2019, over een getormendeerde popster). Beide films zijn geregisseerd door voormalig acteur Brady Corbet.

Zijn bijdrage aan Vox Lux is treffend genoeg Walkers laatste werk. De rol van popster viel hem niet gemakkelijk, zei hij in 1984. “In de studio voelde ik me prima. Maar ook tegenwoordig schijn ik niet goed om te kunnen gaan met alles wat er gebeurt als je de studio verlaat. Ik heb de volmaakte plaat in mijn hoofd, maar die heb ik nog steeds niet kunnen realiseren.” Het zou nog dertig jaar duren eer hij daar met zijn laatste album in slaagt. Op Soused, een samenwerking met de experimentele metalband Sunn O))) uit Seattle, klinkt hij toegankelijk voor zijn doen. Metal en Walker zijn een natuurlijke fit.

Helderheid

Het lijkt onwaarschijnlijk, onmogelijk zelfs: de hitmaker wordt avant-gardist. Maar zijn oeuvre is opvallend consistent. Er loopt een grillige, doch ongebroken lijn van Montague Terrace (In Blue) op Scott, via Boy Child (Scott 4), The Electrician (Nite Flights), The Dealer (Climate of Hunter) en Farmer in the City (Tilt) naar Jesse (The Drift) en het surrealistische muziekhoorspel Corps De Blah van Bish Bosch. In Herod 2014 (Soused) komt zijn thematiek bijeen: existentiële pijn, gebrek aan geborgenheid, verlammende onmacht, de dictator en diens ondergang. Het is geen melancholie. Het is ongemak met het bestaan.

 

Scott Walker & Sunn O))) – Brando

 

Scott Walker is de belangrijkste inspiratiebron van David Bowie. Die ontdekte Jacques Brel via Walker en diens eerste soloplaten uit de jaren zestig. Daar hoorde hij voor het eerst Amsterdam en My Death, nummers die hij later zelf zou zingen. Hij hoorde de originaliteit van Nite Flights en coverde het op zijn album Black Tie White Noise uit 1993. Eén van de stemmen uit Bowie’s register, de ‘dramatische bariton’, is gemodelleerd op Walkers zangstijl. Bowie heeft intensief geluisterd naar Walkers latere platen. Blackstar is ondenkbaar zonder de klankkleur en het experiment van de The Drift en Bish Bosch.

David Bowie is niet de enige fan, wel de eerste. Scott Walker beïnvloedde meerdere generaties van vooral Britse muzikanten, van Marc Almond, Simon Raymonde (Cocteau Twins) en Julian Cope in de jaren tachtig; Jarvis Cocker (Pulp), Damon Alburn (Blur), Bob Stanley (Saint Etienne) en Radiohead in de jaren negentig; tot Natash Khan (Bat For Lashes) en Elias Bender Rønnenfelt (van de Deense band Iceage) in deze eeuw.

“Eigenlijk was ik helemaal geen zanger toen we The Walker Brothers begonnen,” zei Scott Walker in 1984. “Ik had toevallig de laagste stem.” Een stem, daar groei je langzaam in, vertelde hij me toen. In zijn geval wellicht letterlijk, want hoe verder zijn successtatus achter de horizon verdween, hoe persoonlijker en unieker zijn muziek werd.

Walkers ontwikkeling van belezen tieneridool tot avant-gardeheld, van easy listening crooner tot kampioen van de uneasy listening, voerde hem langs een eenzaam pad. Voor hem was er geen andere weg denkbaar. “Eenzaamheid heeft voor mij meer positieve resultaten dan negatieve. Het geeft een helderheid. Als je in alleen bent, vloeien de dingen beter. Vroeger dacht ik, net als Sartre, dat iedereen je vijand was. Dat denk ik niet meer, maar ik ga nog steeds niet naar feestjes. Camus zei: ‘Ik ben wat ik weet’. Dat is precies wat we niet zijn.”

 

Scott Walker: 30th Century Man

 

Geef als eerste reactie